Het werkwoord googelen.
Ik googel - ik googelde
Jij googelt - jij googelde
Hij/zij googelt - hij/zij googelde
Wij googelen - wij googelden
Jullie googelen - jullie googelden
Zij googelen - zij googelden
Ik heb gegoogeld
Gebiedende wijs: googel!
Weer wat geleerd vandaag!Publicatiedatum: zondag 13 maart 2011.

